WWW.AARSBERGEN.NL
HOME CONNIE
|
|
Lezing
1 december 2005 in het Van Gogh Kerkje in NUENEN
Hoe
autonoom is de mens eigenlijk?
Door:
drs. Connie Aarsbergen-Ligtvoet
Promovenda Godsdienstfilosofie Vrije Universiteit
Samenvatting:
In
deze lezing wordt een korte historische schets van het mensbeeld gegeven. Daarbij kijken we zowel naar het christelijke als het
seculiere denken. Denkers als Augustinus, Pelagius, Kant, Fichte,
Nietzsch, Sartre en Marx passeren de revue. Specifiek aandacht wordt
besteed hoe in de loop van de geschiedenis nagedacht is over de
autonomie van de mens. Na de Verlichting ontstaat er het ideaal van de
autonome mens. In onze huidige tijd is er toenemend besef ontstaan dat
dit ideaal wel erg ver doorgeschoten is ten koste van betrokkenheid op
elkaar. Welk tegengif kan levensbeschouwing
(religieus of humanistisch) bieden?
Vanavond
gaan we in deze speciale Adventsdrieluik het hebben over mensbeelden.
Het vak dat daar over gaat is ‘religieuze en wijsgerige antropologie’.
Het is een vak dat ik doceer aan de Vrije Universiteit en het onderwerp
waarover mijn dissertatie gaat. Hoe wordt in de filosofie en de diverse
religies over de mens gedacht? Een typische vraag binnen religieuze
antropologie is hoe de mens zich tot God verhoudt. Hoe ver reikt de
almacht van God en hoe vrij is de mens dan nog? Een andere belangrijke
vraag is of een mens een eeuwige ziel heeft dat na het lichamelijke
sterven een eeuwig leven heeft?
Filosofie gaat in het
algemeen over vragen waarvoor geen standaard antwoorden te geven zijn.
Zodra er wel methoden en technieken zijn, verhuist een onderwerp van de
filosofie naar een bepaalde wetenschap. Wijsgerige antropologie gaat in
op vragen over de mens waar we dus geen vaste antwoorden op hebben. Is
de mens een spelbal van zijn genen, is een mens bepaald door zijn
sociale omgeving, of is de mens uiteindelijk toch vrij? Is de mens een
individu of een gemeenschapswezen, of beiden? Een vraag die de
wijsgerige vaak seculiere antropologie wat heeft laten liggen is de
vraag of de mens in wezen goed of slecht is? Daarover heeft bijvoorbeeld
de christelijke antropologie met de leer van de erfzonde weer wel een
antwoord op, maar of dat antwoord bevredigend is, zullen we zo zien.
Mensbeelden zijn vaak heel impliciet. Ze zijn vaak zo vertrouwd,
dat we eigenlijk denken dat iedereen over de mens denkt zoals wij dat
doen. Maar dat is niet zo. Mensbeelden zijn fundamenteel en bepalen
bijvoorbeeld de inrichting van de maatschappij. Wanneer je de mens als
in wezen vrij ziet en in staat zelf beslissingen te nemen, wil je ook
een vrije samenleving met inspraak. Een belangrijke methode om dit
impliciete mensbeeld naar voren te halen is interreligieuze dialoog.
Binnen kerken wordt er steeds meer aan interreligieuze dialoog gedaan.
Het onderwerp van gesprek is vaak wat we met elkaar delen. Maar het is
ook belangrijk datgene expliciet te maken waarin we met elkaar
verschillen. Anders blijf je langs elkaar heen praten en begrijpen we
elkaar in wezen niet. Dan blijven de diepste oorzaken van conflict
verborgen.
Aan
het mensbeeld zijn een aantal aspecten verbonden. Hoe zit het zelf of de
ziel eigenlijk in elkaar? Boeddhisten ontkennen dat we iets van een ziel
of een zelf hebben. Het geloof in het hebben van een zelf voedt alleen
maar egoïsme en is daarmee de wortel van het kwaad. Maar christenen
daarentegen geloven in een ziel dat bij God een eeuwig leven kan hebben.
In het seculiere postmoderne denken wordt er steeds meer aangenomen dat
het zelf gefragmenteerd vanwege de verschillende rollen die er in het
leven gespeeld wordt. Dit aspect van de antropologie laat ik in deze
lezing rusten en ik concentreer mij meer op de vraag hoe in de loop der
geschiedenis nagedacht is over de autonomie van de mens en het kwaad in
de mens. Vanuit de religieuze antropologie is het een belangrijke vraag
hoe de mens zich verhoudt tot de almachtige God en wat van de vrije wil
over is na de zondeval van de mens? En hoe is er in de loop der tijd in
het seculiere denken nagedacht over de greep die het kwaad op de mens
heeft?
We beginnen met het
christelijk denken. Over hoe autonoom de mens ten opzichte van God is,
wordt al vroeg bediscussieerd
in het debat tussen Kerkvader Augustinus en de als ketter veroordeelde
Keltisch-Ierse monnik Pelagius eind 4e en begin 5e
eeuw na Christus. De zondeval en de dogma van de erfzonde staat in deze
discussie centraal. In hoeverre is na de zondeval van Adam nog sprake
van een vrije wil en het vermogen zichzelf te ontwikkelen als een
spiritueel wezen? Augustinus is van mening dat de vrije wil door de
zonde van Adam bedorven is. Augustinus neemt de tekst van Paulus
letterlijk wanneer hij in Romeinen 7:15 zegt
”Want wat
ik uitwerk, weet ik niet, want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een
afkeer van heb, dat doe ik. Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe,
stem ik toe, dat de wet goed is. Doch dan bewerk ik het niet meer, maar
de zonde die in mij woont.”
De
mens heeft wel besef van goed en kwaad, maar kan er niet meer vrij
tussen kiezen. De zonde van
Adam betreft niet alleen Adam, maar het gehele menselijke ras. Ook
kinderen worden in erfzonde geboren. Ten aanzien van de genade en
verlossing betekent dit voor Augustinus dat de mens geheel afhankelijk
is van God.
Pelagius
neemt een tegengestelde positie in. Door de zonde van Adam is de mens
niet volledig bedorven, alleen maar veranderd. Er is een hang of een
geneigdheid tot zonde maar niet een gedetermineerdheid tot zonde. De
mens heeft niet alleen besef van goed en kwaad, maar ook nog steeds een
vrije wil en het vermogen zich te ontwikkelen tot een spiritueel wezen.
Kinderen worden in dezelfde staat geboren als Adam voor zijn zondeval en
zijn dus niet behept met de erfzonde.
Ten aanzien van de genade ontwikkelt Pelagius een model waarin er
sprake is van een synergie / samenwerking
tussen God en mens. Door het geloven in en volgen van Jezus, door het
tonen van berouw ontvangt de mens genade.
De
positie van Pelagius werd door Augustinus en de vroege kerk afgewezen.
Kern van het evangelie is nu juist dat de genade niet verdiend hoeft te
worden. Pelagianisme werd in de kerkgeschiedenis dan ook iets waar je
beter niet van beschuldigd van mocht worden. Wat vooral in het spel is,
is de almacht van God. God wordt afhankelijk van de mens om de genade de
geven.
Min of meer dezelfde discussie komt ruim 1000 jaar later terug in het
debat tussen Luther en Erasmus. Beide denkers hadden een enorme kritiek
op de misstanden binnen de Rooms Katholieke Kerk en waren aanvankelijk
bondgenoten. Toch ontstaat er een theologische discussie tussen de twee.
Luther neemt ongeveer dezelfde positie in als Augustinus. De mens kent
wel het verschil tussen goed en kwaad, maar is slaaf van de zonde. De
mens is geheel afhankelijk van Gods genade. Erasmus daarentegen gaat er
vanuit dat de vrije wil nog steeds intact is en dat de mens kan kiezen
tussen goed en kwaad. Ten aanzien van de genade en verlossing is er
sprake van een synergie, een samenwerking tussen God en mens. Erasmus
wordt dan ook meteen beschuldigd van Pelagianisme. Je kunt de genade
verdienen door goede werken. Erasmus brengt hierin tegen dat bij Luther
de genade wel erg goedkoop wordt zonder menselijke inspanning. Hoe zit
het dan met de menselijke verantwoordelijkheid. In de bijbel is toch
sprake van loon en straf en dat heeft geen zin als de mens toch
gedetermineerd is tot het kwaad. Bovendien moeten Luther en Augustinus
een predestinatieleer aanhangen. Wie er wel of niet genade ontvangen is
afhankelijk van de verkiezing van God. Maar in het verlengde van dit,
dan zou ook de zonde dan door God voorbestemd zijn. Volgens Luther is
dit eigenlijk een duivels spreken over God.
Achter deze discussie staat een concurrentieschema. De menselijke
autonomie gaat ten koste van Gods almacht. Het is ook mogelijk dit
concurrentieschema los te laten. Daarbij gaat het niet meer in hoeverre
de vrijheid van de een ten koste gaat van de ander, maar wordt er
geloofd dat God de mens vrijheid gunt om zelf vorm te geven aan het
leven, waarbij er levensvernieuwing mogelijk is in Christus.
We maken nu twee stappen, van theologische of religieuze
antropologie,naar wijsgerige antropoogie, en van de Reformatie naar de
Verlichting. De stap van Luther naar de Verlichting is een kleine. Een
belangrijke consequentie van de Reformatie die Luther heeft ingezet is
het loskomen van de Katholieke Kerk en dat mensen zelf de bijbel gaan
lezen. Het individu leert daarmee zelf te denken en wil verder
zelfstandig worden. De 18e eeuwse Immanuel Kant. Kant
definieert de Verlichting als het uittreden uit de onmondigheid waaraan
de mens zelf schuldig is. Volgens Kant is de mens in wezen autonoom en
vrij om te handelen. Er zijn echter allerlei factoren die dat verstoren.
De term biologisch is van latere datum, maar volgens Kant zijn er
allerlei lichamelijke neigingen die de vrijheid van de mens verstoren.
Maar die verstoring komt ook van de omgeving: van paternalistische
vorsten en kerken die de wet voorschrijven. Ze zijn een verstoring van
de autonomie en daarom noemt Kant die factoren heteronoom.
Hoe
zit het dan met de moraal? Hoe weet de mens zonder Openbaring wat hij of
zij moet doen? Kant wilde als Verlichtingsdenker niet meer verwijzen
naar de bijbel. Dat zou weer een heteronome macht zijn. Kant meende dat
alle mensen beschikken over een universele rede. Het zit in de mens zelf,
het hoort bij de mens en komt dus niet van buiten en is dus niet
heteronoom. De universele rede komt eigenlijk neer op de Gulden Regel,
die ook in alle culturen voorkomt: wat gij niet wilt dat u geschiedt,
doe dat ook een ander niet. Een test of je iets wel of niet kan doen is
te kijken of datgene wat je wilt doen algemeen geldig of universeel
toegepast kan worden. Bijvoorbeeld je staat in de rij bij de bakker en
je hebt haast. Je hebt de neiging om voor te piepen. Stel dat iedereen
zou voorpiepen? Zou dat werken? Zou er een universele regel
uitgevaardigd kunnen worden dat mensen met haast mogen voorpiepen? Zo
niet, dan moet je je neiging om voor te piepen indammen en je aan de
universele wet te houden. Kant was zich ook bewust van de zwarte
kant van de mens. De mens heeft een neiging of een hang naar het kwaad
(net als bij Erasmus). De mens is echter niet gedetermineerd tot het
kwaad. De mens is namelijk autonoom en kan hij de heteronome invloeden
in zijn of haar leven weren. Wanneer Kant deze autonomie zou ontkennen,
dan zou hij een ander filosofisch probleem hebben. Hoe kan je dan anders
de mens moreel verantwoordelijk houden wanneer hij of zij daartoe
gedetermineerd is? Je kunt pas mensen verantwoordelijk stellen, als ze
ook anders hadden kunnen handelen.
Ons rechtssysteem is hierop nog steeds gebaseerd. Alleen gestoorde
mensen worden ontoerekeningsvatbaar verklaard en krijgen dan ook geen
gevangenisstraf maar worden opgesloten in een TBS. Volgens Kant kan de
mens ook radicaal kwaad zijn. Daarmee bedoelde hij dat een mens heel
bewust de morele universele wet in zichzelf afwijst en er tegen in
handelt. We zullen straks zien dat na Auschwitz er een andere notie van
het radicale kwaad ontstaat.
Het
autonome mensbeeld van Kant werd omarmd door seculiere denkers die al
tijdens zijn voor die tijd zeer lange leven en na hem kwamen. Met name
de Idealist Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) stelde de menselijke wil
centraal in zijn filosofie. Met die wil bepalen we eigenlijk alles. We creëren zelfs met die vrije wil onze eigen werkelijkheid
en kunnen dat ook weer veranderen. De maakbaarheidsgedachte doet z’n
intrede. Fichte geloofde ook niet zo in de universele rede van Kant die
in de mens zit. Dat beperkt de mens alleen maar in zijn vrijheid en
handelen.
Het
denken van Fichte heeft grote invloed op Schopenhauer en Nietzsche,
waarbij de autonome wil zelf de waarden en normen bepaalt. Autonoom
wordt nu letterlijk zelf de wet maken. Mensen maken volgens Nietzsche
zelf de moraal. Het komt dus niet van God. Nietzsche gelooft niet in
God. Volgens hem is God zelfs dood. In de natuur is een soort
‘survival of the fittest’ werkzaam. Nietzsche noemt dat de wil tot
macht. Mensen gebruiken hun wil om machtiger te worden en om zo te
overleven. Maar er zijn ook zwakke mensen, mensen met weinig macht die
Nietzsche Üntermenschen noemt. Moraal is voor Nietzsche eigenlijk het
product van zwakke mensen, van Üntermenschen die niet opgewassen zijn
tegen sterke mensen, de Übermenschen. Zwakke mensen creëren een
religie en bijbehorende moraal waarin naastenliefde en compassie wordt
gepredikt zodat ook de zwakke mens een plekje onder de zon kan hebben.
De positie die Nietzsche vertegenwoordigt is het nihilisme. Nihil
betekent er is niets, er is niets hogers. Er is geen geloof meer in God,
of een universele moraal die door God gegeven is, of een hogere zin in
het leven. Het nihilisme is ook sterk aanwezig in de huidige tijd.
Nietzsche zag ook dat het nihilisme tot een crisis in de moraal zou
leiden. Hij had een sterk voorspellende blik en is wordt op dit moment
veel gelezen.
Hitler werd o.a.
door Nietzsche geïnspireerd. Eigenlijk misbruikte hij Nietzsche’s
gedachtegoed in zijn nationaal-socialisme. De Üntermenschen zijn bij
Hitler niet meteen zwakke mensen, maar bepaalde bevolksgroepen: de joden,
zigeuners en homo’s die hij niet in zijn Duizend Jarig Rijk kon
gebruiken, met de Holocaust als gevolg. Auschwitz staat thans symbool
voor het radicale kwaad. Anders dan bij Kant is het radicale kwaad na
Auschwitz het kwaad dat ons bevattingsvermogen overstijgt. Het is het
kwaad dat niet meer terug te brengen is naar begrijpelijke menselijke
redenen zoals zelfverdediging of hebzucht. Er is in de kampen het kwaad
óm het kwaad gepleegd. De Nazi’s probeerden de humaniteit, de
menselijkheid te vernietigen zoals we in de film van Sophies Choice
hebben gezien, waarbij een joodse vrouw in het concentratiekamp voor de
onmenselijke keuze gesteld is te kiezen voor het leven van het ene of
het andere kind.
Na
de Tweede Wereld Oorlog is er ook in het seculiere denken meer besef van
het radicaal kwaad in de mens. Tegelijkertijd is er ook een groot
vertrouwen in de mogelijkheden van de mens. Het teveel benadrukken van
de slechtheid van de mens heeft nadelen. Het geeft onnodige
schuldgevoelens en remt de mens in zijn mogelijkheden en zelfontplooiing.
Bovendien is er ook in politieke zin een groot nadeel. Wanneer de mens
tot niets goeds in staat zou zijn, zoals o.a. in de Heidelbergse
Catechismus staat, dan zouden we ook geen open vrije democratische
samenleving kunnen hebben. Een vrije democratie vraagt dat de mens
rekening kan houden met een ander, zich kan neerleggen bij een
meerderheidsbesluit en compromissen kan sluiten. Een open samenleving
vooronderstelt dat mensen tolerant kunnen zijn voor andersdenkenden en
dat ze zichzelf kunnen beperken wanneer de gevolgen van hun handelen
hinderlijk of schadelijk zijn voor anderen. Wanneer zulke vermogen niet
in de mens wordt voorondersteld, dan is het enige alternatief een
autoritaire politiestaat, met heel veel cellen en in elke straat een
camera.
In
het Westerse denken heeft ook Karl Marx een belangrijke stempel gedrukt,
maar is nu tanende. Marx zag de mens toch veel meer als een
gedetermineerd wezen. In twee opzichten. De mens is allereerst
historisch gedetermineerd. Er is een proces in de geschiedenis. De
geschiedenis is niet zinloos, maar heeft een doel, namelijk het
realiseren van de klasseloze heilstaat. Dat doel ligt vast in de
geschiedenis. Er is weliswaar eerst een revolutie van het proletariaat
nodig, maar de overwinning is gegarandeerd. Mensen zijn dus eigenlijk
pionnen in dit proces in de geschiedenis. De mens is ook gedetermineerd
in materialistische zin. Hun denken en handelen wordt bepaald door de
materiele omstandigheden waarin ze verkeren en de belangen die daarmee
gemoeid gaan. Maar de mens is bij Marx in wezen niet slecht. Het is de
maatschappij die hem verziekt. Door uitbuiting ontstaat er vervreemding,
waardoor mensen gaan stelen, liegen en bedriegen. Maar wanneer er een
eerlijke verdeling is, dan komt het met de mens allemaal goed. Het
historisch-materialistisch denken van Marx heeft tot de begin jaren 80
een grote invloed op het mensbeeld, en daarmee in het beleid in
Nederland gehad die door veel mensen achteraf als te ‘soft’
bestempeld wordt. Het Marxisme ontkende niet alleen het kwaad in de mens,
het bracht zelf ook een eigensoortig kwaad voort. Mensen die het
socialistische ideaal niet deelden stonden de klasseloze heilsstaat in
de weg. Deze dissidenten werden afgevoerd naar Siberië of de Goelag
Archipel. Het grote doel heiligt de middelen. De beloofde hemel op aarde
werd een hel op aarde. Met de val van de muur in 1989 is het
Marxistische gedachtegoed wat meer op de achtergrond geraakt.
Belangrijk in het
naoorlogse denken over de mens is het existentialisme. De filosoof die
daarbij het meest genoemd wordt is Jean-Paul Sartre. Bij Sartre staat de
keuzevrijheid van de mens centraal. Sartre beseft dat je als mens je
eigen bestaan niet kiest, en dus ook niet het wiegje waarin je wordt
geboren. Wel is het mogelijk om je te ontdoen van de bagage die je
meekrijgt. De mens moet in het leven allerlei existentiële keuzes maken.
Zijn wezen, zijn doel, zijn essentie staan niet van te voren vast zoals
bij religies.
Vrijheid
betekent voor Sartre vooral verantwoordelijkheid. Die keuzes die de mens
moet maken zijn vaak niet gemakkelijk. Er kan in een mensenleven ook
sprake zijn van duivelse dilemma’s. Wat je ook kiest, de gevolgen
ervan zijn eigenlijk niet wenselijk of goed. Stel, een jong ouderpaar
krijgt een ernstig gehandicapt kindje. Laten leven betekent voor het
kindje heel veel pijn. Laten sterven betekent het afbreken van een jong
leven in de knop. De verantwoordelijkheid voor de consequenties van
keuzes, wordt door veel mensen gezien als een last. Een beroemde
uitspraak van Sartre is dat de mens gedoemd tot vrijheid. Je kunt die
verantwoordelijkheid niet ontlopen. Maar mensen proberen dat wel. Ze
doen dat vaak door zich te verschuilen achter de leefregels van hun
religie. Van de Paus of van de Kerk moet ik dit of dat doen. Sartre
noemt dit verschijnsel ‘mauvaise foi’ (slecht geloof) , omdat mensen
daarmee de consequenties van hun eigen keuzes niet onder ogen willen
zien. Dit denken van Sartre is diep binnengedrongen in het atheïstische
repertoire. Geloven wordt dan simpelweg gezien als het ontvluchten van
eigen verantwoordelijkheid.
In
het hedendaagse Humanisme wordt de autonomie-gedachte veel meer wordt
gerelativeerd. Het leven is niet altijd maakbaar. Je wiegje staat ook in
een bepaald land, bepaalde cultuur en bepaalde taal, die de manier
waarop je het leven begrijpt enorm bepaalt. In het leven is er ook pijn,
ziekte en ongeluk dat je domweg overkomt. Het menszijn wordt bovendien
gekenmerkt door een diepe angst om dood te gaan. Het vergt veel
levenskunst om daarmee om te gaan.
Vooral
voor de zingeving van het bestaan, is de mens afhankelijk van de mensen
om hem of haar heen. Ervaringen als liefde en erkenning en zin heb je
als individu ook niet in de hand. Ze zijn ook niet maakbaar. Je kunt als
mens hoogstens de voorwaarden ervoor scheppen, maar uiteindelijk kan je
liefde en erkenning alleen maar van anderen ontvangen. Dit vraagt een
bepaalde openheid en het vermogen liefde en vriendschap niet tot
economische termen te reduceren, waarbij de ander slechts een middel is
voor het eigen doel. Op het moment dat je het manipuleert is er
eigenlijk niet echt sprake meer van. De ervaringen van zin en voldoening
zijn niet rechtstreeks na te streven. Door bepaalde activiteiten te doen,
door je te verbinden met bepaalde waarden of mensen, dan kan je zin in
het leven ervaren, als een soort bijproduct. Ook hier geldt weer dat
zingeving zich ontrekt aan de manipulatie van de mens en dus de
maakbaarheid van het bestaan.
In
deze tijd lopen we steeds meer tegen een doorgeschoten ik-cultuur aan.
Net zoals Nietzsche nemen heel veel mensen de term autonomie heel
letterlijk. Ze bepalen voor zichzelf de wet. Hierachter schuilt het
beself van nihilisme. Er is geen God en er zijn derhalve geen hogere
waarden en normen, dus bepalen we zelf wat we doen.
Door de toegenomen welvaart zijn mensen steeds minder op elkaar
aangewezen dus hoeven ze in hun besluiten ook steeds minder rekening met
elkaar te houden. Bovendien is Nederland een multiculturele samenleving
geworden, met heel veel verschillende levensbeschouwingen, gelovig als
ongelovig. Wiens waarden en normen gelden eigenlijk? Bij gebrek aan
duidelijkheid, dan de mijne maar!
Als
reactie hierop zien we enerzijds de roep om meer blauw op straat, meer
cellen, meer cameratoezicht. Maar wanneer er geen politie in de buurt
is, of sociale controle, waarom zich dan houden aan regels, wanneer je
er zelf niet beter van wordt. Waarom zou je rekening houden met een
ander? Er is toch ook iets nodig als een innerlijke motivatie.
De laatste jaren zien wij in het Humanisme een steeds grotere waardering
voor wat de grote religieuze tradities mensen bieden. Die waardering
strekt zich overigens alleen uit voor religieuze tradities die tolerant
zijn richting anders-gelovigen en niet-gelovigen en open staan voor
dialoog. Zocht het na-oorlogse Humanisme haar identiteit in het zich
afzetten van religieuze tradities, nu is er besef dat er een
gezamenlijke strijd nodig is tegen het nihilisme. Wat religieuze
tradities eigenlijk gezamenlijk gemeen hebben is dat ze mensen
transformeren van een ik-gerichtheid naar een gerichtheid op een ander
en de ander dat kan je dan met een grote letter en een kleine letter
schrijven.
Allereerst
de gerichtheid op de Ander met een grote letter. In de grote religies,
het Christendom, het Jodendom, de Islam maar ook binnen het Hindoeïsme
wordt de liefde voor God, Jawhe, Allah of Krishna het beste getoond door
barmhartigheid, door je naaste lief te hebben of zoals in het Hindoeïsme
het liefhebben van de goddelijke kern in de ander. Dus door de
gerichtheid op de Allerhoogste ontstaat er tegelijkertijd ook een
gerichtheid op de medemens.
En dan de gerichtheid op
de ander met de kleine a. Het Humanisme gaat niet uit van een
Allerhoogste die van invloed is op het menselijk bestaan. Maar dat
betekent niet zoals bij Nietzsche dat humanisten de conclusie trekken
dat het leven geen zin heeft en dat de moraal iets is wat mensen zelf
kunnen bepalen. Er is een universele moraal waar alle mensen zich aan
dienen te houden. Geen zinnig mens wil immers gemarteld of zomaar
bestolen of gedood worden. Moraal is niet het product van zwakke mensen
zoals Nietzsche beweerde, maar komt voort uit het menszijn. Elk mens wil
zijn of haar kinderen in een veilige omgeving op laten groeien. Er is
natuurlijk ook morele en culturele verscheidenheid, maar daarnaast delen
alle mensen met elkaar een basale moraal. Ook heeft het leven zin, ook
al is er geen God die jouw persoonlijk bestaan heeft gewild of een hemel
of paradijs waarop het leven is gericht. De zin van het leven is voor
humanisten het leven zelf, en het feit dat het leven eindig is, doet
daar niets van af. Zingeving hoeft ook niet zoals in het Marxisme in de
geschiedenis gevonden te worden. Mensenlevens zijn geen schakels in
dienst van de ontwikkeling naar de klasseloze heilsstaat. Er is geen
hoger doel in de geschiedenis, maar dit betekent nog steeds niet dat een
het individuele leven geen zin hou hebben. Zingeving voor Humanisten
vindt plaats in het gewone dagelijkse leven. Door je te verbinden met
andere mensen, door je te verbinden met waarden die mensen met elkaar
delen zoals muziek, kunst, literatuur, dierenliefde, natuurbehoud, etc.
Dat zijn dingen die je meestal niet individueel doet. Als wijze van
bijproduct valt het gevoel van zin je toe. Niet door zingeving direct na
te streven, maar door je te verbinden met mensen en waarden.. Belangrijk
daarbij is dat je niet egoïstisch bent, dat je mensen niet
instrumenteel, voor je eigen nut gebruikt. Want dan krijg je nooit echte vriendschap, liefde of echte erkenning
voor wie je echt bent. Dan zal je leven ook nooit diepte hebben. Echte
vriendschap, erkenning en liefde kan je niet afdwingen. Dat valt je toe.
Gerichtheid op de medemens is dus essentieel voor een zinvol leven.
Levensbeschouwingen transformeren dus mensen van ik-gerichtheid naar de
gerichtheid op de ander. Die transformatie van de mens gebeurt met name
door het vertellen van verhalen. We kunnen van de verhalen van de
verschillende religieuze tradities leren. En wanneer er in een traditie
een gerichtheid op de medemens is, kan er ook met humanisten
samengewerkt worden om een vuist te tegen het toenemende nihilisme in
onze samenleving.
Wordversie
|