Drs. Connie Aarsbergen-Ligtvoet, parttime universitair docent ethiek/filosofie en promovendus
Ten
behoeve van de uitgangspunten van het nieuwe Liberaal Manifest, maar ook voor de
discussie welke koers de VVD zou moeten varen, is het belangrijk eerst een
politiek-filosofisch inzicht te hebben in het waardenconflict binnen het
liberalisme. Het is een waardenconflict dat niet van te voren op te lossen is,
maar waarin wel werkbare compromissen mogelijk zijn.
Het
waardenconflict binnen het liberalisme speelt zich in principe af tussen de
volgende twee soorten vrijheid:
-
Negatieve
vrijheid: de
vrijheid van overheidsbemoeienis. Er zijn zo min mogelijk door de
overheid opgelegde regels die je verhinderen iets te doen. Het is
een negatieve vrijheid omdat het een vrijheid is van.
-
Positieve
vrijheid: de
vrijheid om iets te doen. Hierachter zit altijd een idee wat goed is om
te doen: een ideaal, of gewoon iets wat fijn of prettig is om te
doen. Maar wat goed of leuk is, daarin verschillen
mensen van mening. Waar de één een fortuin voor over heeft om zijn droom te
realiseren, wil de ander geen cent voor uitgeven.
Liberalen
hebben van oudsher altijd de voorkeur aan negatieve vrijheid gegeven; dit in
combinatie met een zo slank mogelijke overheid, die dat wat goed of leuk is voor
de mensen ook zoveel mogelijk overlaat aan particulier initiatief. De reden
hiervoor is dat liberalen vinden dat mensen, met al hun verschillende meningen
en visies, niet door de overheid gedwongen mogen worden te leven onder andermans
ideaal voor het leven en de samenleving. Maar in de loop der jaren is het
liberalisme echter ‘volslanker’ geworden. Er zijn allerlei elementen van
positieve vrijheid bijgekomen, die in de praktijk pijnlijk kunnen conflicteren
met het slankheidsideaal.
Binnen
positieve vrijheid kunnen we o.a. de volgende vormen onderscheiden:
-
Sociaal-economische
vrijheid. Je kunt
van de overheid wel voldoende negatieve vrijheid hebben gekregen om geld te
verdienen, maar als dat om de één of andere reden niet lukt
of je in een land woont waarin niets collectief georganiseerd wordt, dan valt er
ook weinig te kiezen. Om ook de
sociaal-economische vrijheid te realiseren, kan een overheid ervoor kiezen geld
en middelen te herverdelen. Het ideaal dat achter dit positieve vrijheidsbegrip
steekt is een kwalitatief hoogwaardige samenleving waarvan de vruchten ook voor
iedereen ook bereikbaar zijn.
-
Vrijheid
om je identiteit naar eigen inzicht te vormen. Hiertoe
heb je allereerst negatieve vrijheid nodig: een overheid die mensen niet bij
voorbaat verbiedt een kerk, moskee of religieuze school op te richten. Maar
wanneer vrijheid van godsdienst grondrechtelijk goed geregeld is, dan kan het
ook zijn dat er in het private domein onvoldoende geld aanwezig om die culturele
of levensbeschouwelijke
instellingen ook te kunnen realiseren. In dat geval kan de overheid subsidies
toekennen. Ook hier speelt weer achter dit positieve vrijheidsbegrip een idee
van het goede op de achtergrond, namelijk dat een samenleving veel rijker en
prettiger wordt wanneer er veel verschillende vormen van culturele en
levensbeschouwelijke expressie in voorkomen.
Wat de waarde ‘vrijheid t.b.v. identiteitsvorming’ nog complexer maakt is
dat het niet alleen een negatief en positief component heeft, maar ook nog eens
toegespitst kan worden op individu of groep:
-
Toegespitst
op het individu,
het individu moet de vrijheid hebben om een eigen levenspartner te kiezen
en in of uit een levensbeschouwelijke groep te stappen
-
Toegespitst
op de culturele of religieuze groep.
Een groep moet de vrijheid hebben om zich te beschermen tegen de
dominantie van de westerse geseculariseerde cultuur om zo de eigen identiteit te
beschermen. Bijvoorbeeld geen zondagsrustverstoring in Staphorst.
Tussen
al deze vormen vrijheid zijn spanningen. Ik noem de belangrijkste. Allereerst de
spanning tussen negatieve vrijheid en sociaal-economische vrijheid. We hoeven
maar de debatten van Wiegel en Den Uyl maar voor onze geest te halen om te
beseffen dat wanneer er bij mensen geld weggehaald wordt om het te herverdelen,
deze burgers door de overheid in hun negatieve vrijheid beperkt worden om het
zelfverdiende geld naar eigen inzicht uit te geven. Maar aan de andere kant, wat
is vrijheid waard wanneer je alleen maar op een houtje kan bijten? Wat is
vrijheid wanneer er geen natuurparken of musea zijn? Veel liberalen willen
daarom intussen ook geen klassieke nachtwakersstaat meer. Naast
basisinfrastructuur willen ze ook een aantal publieke goederen en diensten door
de overheid geregeld hebben, die niet commercieel haalbaar zijn maar wel aan de
kwaliteit van het leven bijdragen. Wat ook meespeelt is dat veel liberalen
intussen geïndividualiseerd en geseculariseerd zijn en niet willen terugvallen
op de betutteling van kerkelijke verbanden wanneer zij onverhoopt werkeloos of
arbeidsongeschikt raken. Die verzorgingsstaat moet voor die liberalen dan niet
al te uitgebreid zijn, maar wel een fatsoenlijk sociaal vangnet bieden. We zien
deze trend o.a. vertegenwoordigd in het (sociaal) liberalisme van Mark Rutten en
Melanie Schulz.
Tussen
sociaal-economische vrijheid en vrijheid t.b.v. identiteitvorming is een groot
waardenconflict, dat vooral voor linkse partijen wel heel erg slecht uitkomt en
daardoor veelal verborgen wordt. De verzorgingsstaat, die ten behoeve van de
sociaal-economische vrijheid in stand gehouden moet worden, is gebaseerd op
solidariteit met alle Nederlandse inwoners. Maar waarom zou iemand solidariteit
opbrengen voor groepen mensen die zich bewust buiten de Nederlandse samenleving
plaatsen, de taal niet leren, de dominante Nederlandse cultuur niet begrijpen of
soms zelfs verachten? Deze gesegregeerde mensen zullen moeilijker kunnen meedoen
in de complexe arbeidsmarkt en daardoor sneller in uitkeringen terecht komen.
Dus om de sociaal-economische vrijheid ook voor de toekomst betaalbaar te houden
en de basis van onderlinge solidariteit niet te ondermijnen is het noodzakelijk
eisen te stellen met het oog op assimilatie of integratie. Echter dat gaat weer
ten koste van de vrijheid t.b.v. identiteitsvorming. GroenLinks en tegenwoordig
in mindere mate de PvdA verhullen dit dilemma het liefst voor hun achterban,
want als linkse rakker wil je immers aan mensen én alle middelen geven om de
dingen te doen die ze leuk vinden én de vrijheid geven zich naar eigen
cultureel en religieus inzicht te ontwikkelen. Maar de weerbarstige praktijk is
dat hoe meer culturele diversiteit en segregatie een land toestaat, des te
minder verzorgingsarrangementen op basis van onderlinge solidariteit geboden
kunnen worden. Dit in wezen linkse waardenconflict is ook een probleem voor de
VVD. Liberalen willen geen onnodige groei van de verzorgingskosten, zeker niet
wanneer aan mensen onvoldoende eisen voor de voorwaarden tot arbeidsparticipatie
worden gesteld. Uiteindelijk moet dat geld weggehaald worden bij hardwerkende
burgers en risiconemende ondernemers die daardoor in hun negatieve vrijheid
worden beperkt. Bovendien voelen liberalen zich intussen ook verantwoordelijk
voor de bescherming van de basisvoorwaarden voor een rechtvaardig sociaal
vangnet.
Binnen
de vrijheid t.b.v. identiteitsvorming laat zich ook een spanning zien die Ayaan
Hirsi Ali zo goed heeft verwoord. Het is de spanning tussen de vrijheidsrechten
die aan individuen (mannen en vrouwen) zijn toegekend en de culturele
vrijheidsrechten die groepen als geheel kunnen opeisen. Onder het mom van de
bescherming van culturele eigenheid en vrijheid kunnen de individuele rechten
van vrouwen, homo’s en andersdenkenden flink onder druk komen te staan
(uithuwelijking, besnijdenis, eerwraak, uitsluiting, fatwa’s). In het
optimistische multiculti-ideaal van de jaren 80 en 90, waarin culturele groepen
rijkelijk werden gesubsidieerd, werd de positie van het individu - met name de
vrouw - binnen de groep gewoon vergeten, terwijl in het liberale mensbeeld niet
de groep maar het individu primair het uitgangspunt is.
Onder
liberalen zien we thans een discussie niet alleen tussen klassiek-liberalen en
sociaal-liberalen maar ook tussen aanhangers van de oude liberale koers van
vrijheid t.b.v. identiteitsvorming (zoals verwoord in het oude Liberale
Manifest) en aanhangers van de nieuwe koers die deze vrijheid ten behoeve van
andere waarden willen beperken. In het debat rond beperking van het islamitisch
bijzonder onderwijs begin dit jaar hebben we bijvoorbeeld Dijkstal/ Ginjaar c.s.
gehoord die van een beperking van Artikel 23 (overheidsfinanciering bijzonder
onderwijs) niets wilden weten omdat voor hen het liberalisme in wezen inhoudt
dat mensen naar eigen cultureel of religieus inzicht hun identiteit moeten
kunnen ontwikkelen. Hierin hebben ze gelijk, maar in hun reactie negeerden ze
echter de mogelijke negatieve gevolgen van dit bijzonder onderwijs voor
integratie en emancipatie. Op enkel zwarte bijzondere scholen leren leerlingen
mogelijk onvoldoende de verborgen maar noodzakelijke codes van de Nederlandse
samenleving om in de complexe arbeidsmarkt werkelijk te kunnen slagen en krijgen
meisjes onvoldoende bagage mee om zich later desgewenst aan de groepsdruk te
kunnen onttrekken. En dan de reactie van Van Aartsen/Hirsi Ali c.s. Zij zien
deze laatste gevaren wel scherp in, maar moeten dan wel de (door de overheid
gefinancierde) vrijheid van identiteitsvorming naar eigen religieus inzicht
inperken. Dit doet overigens niets af aan de negatieve vrijheid om op
particulier initiatief zelf godsdienstonderwijs te organiseren, maar omdat we
het hebben over arme groepen, wordt dat in de praktijk erg lastig.
Liberalen
worden dus geconfronteerd met een complex intern waardenconflict. Hiervoor
hoeven zij zich overigens niet te schamen. De aanwezigheid van waardenconflicten
is met de aard van onze morele werkelijkheid gegeven. Elke ideologie of partij
kent zijn waardenconflicten. Wat denk je van het waardenconflict binnen
GroenLinks, SP, en PvdA t.a.v. de waarde solidariteit? De vergrijzingsproblematiek
laat een solidariteitsconflict zien tussen de verschillende generaties. En in de
grote steden voelen arme autochtonen zich gediscrimineerd omdat alle subsidies
en goedkope woningen naar de allochtonen lijken te gaan. Of wat denk je van het
waardenconflict binnen het CDA tussen hun bijbels geïnspireerde kernwaarden
rechtvaardigheid en barmhartigheid in het asielzoekersdebat?
Een
belangrijk uitgangspunt voor het nieuwe Liberaal Manifest zou dus allereerst het
inzicht in dit liberale waardenconflict moeten zijn, inclusief de dilemma’s
die daaruit volgen. Dan pas kan een goede discussie plaats vinden over welke
koers de VVD in de 21ste eeuw moet varen. Dit waardenconflict binnen
het liberalisme is de laatste decennia heftiger geworden door de aanwas van
allerlei vormen van positieve vrijheid. Er zijn goede redenen om die vormen van
positieve vrijheid te behouden. We willen immers geen bedelaars op straat zien
en voor de kwaliteit in ons leven willen we graag een diversiteit aan cultuur en
natuur om ons heen die ook nog eens voor iedereen bereikbaar is. Maar besef dan
wel dat het waardenconflict met negatieve vrijheid daarmee steeds groter wordt.
Achter alle vormen van positieve vrijheid schuilt immers altijd een idee van wat
goed is (een ideaal) voor de samenleving als geheel, en wanneer de overheid dit
overneemt, betekent dit in een pluralistische samenleving (waarin er verschil
van mening is over wat goed is) dat de één in zijn of haar negatieve vrijheid
wordt beknot om de positieve vrijheid van een ander te realiseren. Hoe
pluralistischer en multiculturalistischer ons land wordt, des te moeilijker het
wordt om een gezamenlijke visie van het goede leven te hebben waarmee die
beperking van de negatieve vrijheid gerechtvaardigd kan worden.
Tenslotte,
wat de nieuwe koers van de VVD ook moge worden, het is uitermate belangrijk de
uiteindelijke afwegingen in de keuze helder en duidelijk naar de achterban te
expliciteren. Zo’n rechtvaardiging van de keuze, in combinatie met het besef
dat het hier om een complex intern waardenconflict gaat, levert uiteindelijk
meer begrip en steun op. Gemakkelijk is dat niet. Het vraagt van leden en
kiezers een verdiepingsslag die verder gaat dan oppervlakkige oneliners.
Compromissen scoren bovendien niet zo goed in de media. Ook moet afstand genomen
worden van het hardnekkige idee dat in een pluralistische samenleving alles wat
mooi, goed en leuk is, ook allemaal maar harmonieus gecombineerd kan worden. Dat
is de utopie die tot de linkerzijde van het politieke spectrum behoort, maar ook
na de Val van de Muur en de postmoderne verkondiging van ‘het einde van de
grote verhalen’ toch nog steeds lastig te bestrijden is.
___________________________________________________________________________________________________________________________
Drs. Connie Aarsbergen-Ligtvoet, auteur, is op 4 april 2006 gepromoveerd aan de Vrije Universiteit te promoveren op de Britse filosoof Sir Isaiah Berlin (1900-1997), de grondlegger van het inzicht in waardenconflicten.
Reacties: connie@aarsbergen.nl